Den toog

Cafépraat horen we hier niet, kinderpraat daarentegen...


de jongste dochter, 4 jaar:

  • Oma en opa zijn helemaal alleen, die moeten toch ook eens kindjes kopen!
  • Er is geen honger in mijn buik.
  • Als het regent moet je de ruiten opzetten, hè? (de ruitenwissers dus)
  • Robot-baan (rodelbaan)
  • Mama, waar is mijn poppetje?  Heb je haar in bed gestookt? (gestoken)
  • Ik: Wat heb je gedroomd vannacht?
    Zij: Niks
    Ik: Oei, niks?
    Zij: Nee, want ik had geen tut.
  • Waarom wil iedereen zomer?
  • Ik: Doe eens een truitje aan, het is niet te warm buiten.
    Zij: Wielfreak is ook op zijn korte mouwen buiten!
  • Ik zit nu op een mensenstoel!  (nu ze niet meer in de ikea-kindereetstoel zit)
  • Ik: Niet op je blote voeten lopen, doe iets aan je voetjes.
    Zij: Oké, ik ga mijn krukjes zoeken. (croc-jes)
  • Broer: Amai, heb jij al die kunstwerken vandaag gemaakt? (doelend op haar bomvolle plastic zak die ze mee heeft uit school)
    Zij: Nee, ik heb er veel daggen aan gewerkt.
  • Lammekeskoeien drinken melk bij de mama-koe.
  • Papa: Kom we gaan naar het kerkhof, naar opa
    Zij, even later: Waar is opa nu?
    Ik: In de hemel
    Zij: Dan moeten we wel heel ver rijden, hè!
  • Zij, op het kerkhof aan opa's graf: Opa is een skelet!
  • 1, 2, 3, 4, hoedje van vampier
  • Mama, hoeveel jaar was jij toen je geboren werd?
  • Vroeger was er zon, hè? (na een week regen)
  • Vroeger was ik in de buik van Mie Fantasie (grote zus), hè?
  • Juf Jolien is omgetoverd in juf Jill
  • Ik: Toen ik nog een kindje was ...
    Zij: Sliep jij toen in mijn kamer?
  • Ik moet eerst nog groeien (omdat ze nog niet aan de hoge kast kan)
  • Ik: Wat is het leukste dat je vandaag op school hebt gedaan?
    Zij: Opgeruimd! 
  • Zij: Bij Jezus is het altijd donker, hè?
    Ik: Hoezo?
    Zij: Die woont bóven de zon!
  • Ik wil vroeger mama worden
  • Oh ja, honing!  Als ik dit in mijn winkelkarretje plaats:




3 jaar:

  • Ik: Kijk, hier zijn de herders op het veld.  En wie zijn dat daar in de lucht?
    Zij: De elfjes! (engelen)
  • Ik wil ook een stukje afrika (paprika)
  • Zij: Hocus pocus pas, ik wou dat je een kikker was!
    Ik: Kwaak, kwaak
    Zij: Hocus pocus pas, ik wou dat je een poes was!
    Ik: Miauw
    Zij: Hocus pocus pas, ik wou dat je een baby was!
    Ik: Whei, whei
    Zij: Hocus pocus pas, ik wou dat je een heks was!
    Ik: Hèhèhèhè!
    Zij (heel snel, bang): Hocus pocus pas, ik wou dat je terug mama was!
    Ik: Hallo, hier ben ik terug
    Zij: Jij bent toch terug mijn echte mama, hè?
  • Wanneer krijg ik een piemel?
  • Hihi, kijk, die meneer heeft broekkousen aan!  (in de bakker wijzend naar de man voor ons die een short draagt met daaronder steunkousen)
  • Ik ben gegroeid in de bioboer (iemand bij de bioboer merkte op dat ze zo hard gegroeid was)
  • Ikke ni geroepen in de nacht, hè! (als ze een nacht stil is geweest, of denkt dat ze stil is geweest)
  • Wielfreak: Ik ga later trouwen met R.
    Mie Fantasie: En ik met N.
    Zij: En ik met oma!
  • Ik ben geboren toen ik nog klein was
2 jaar:
  • Chocolade in? (wanneer ik op kerstdag in de kerk een munt in haar handje stop om die in de schaal te gooien. Vervolgens probeert ze hem open te prutsen)
  • Broer: Als er twee auto's botsing doen, moeten die naar de garage om gemaakt te worden.
    Zij: Plakkertje op doen

  • Ik wil ook berensiroop!

    berensiroop (perdolan)


de zoon, 6 jaar:


  • Ziet een strandcabine en zegt: Amai, moeten die in zo'n klein hokje slapen!
  • Nee, niet mama's zonnebril opzetten, want dan ben je kleurenblind! (tegen zijn zusje, ik ben trouwens niet kleurenblind, hoor)
  • Hoe ziet Tom Boonen eruit in het donker?
  • Ik wil een camera voor in mijn bed.  Dan kan ik vanuit mijn bed zien of er geen tijger onder ligt.
  • Ik: Oei, je wekker staat niet meer goed.
    Hij: Ja, ik heb die verzet.
    Ik: Waarom?
    Hij: Ik wou eens diep uitslapen.
  • Ik: Hoe heet het mannetje van een paard?
    Hij: Herrie

5 jaar:
  • Gelukkig dat Micky Mouse bestaat, anders had hij nooit Disneyland kunnen bouwen.
  • Daarmee hingen ze Jezus aan het kruis, hè, met die spijkers (terwijl ik spelden in een stofje steek)
  • Hij: Ik weet al wat ik papa ga geven voor vaderdag.
    Ik: Oh ja, wat dan?
    Hij: 1 van mijn 2 bakken autootjes.
    Ik: Wat kan hij daar nu mee doen?
    Hij: Samen met mij spelen!
  • Ik wil ook een blikje met visjes!  Maar niet dat rode met bloed (tomatensaus)
  • Wauw, zo'n grote autowinkel!  (als we voorbij een grote parking rijden)
  • Hoeveel paarden hebben hersenen?
  • Zitten er granaten in?  (over de vis die we eten)
  • Hij: Zoveel matrassen!
    Ik: Waar zie jij matrassen?  Ik zie er geen enkele.
    Hij: Jawel, daar en daar en daar!
    Ik: Maar ik zie er echt geen!
    Hij: Allez mama, daar een matras, daar een matras!
    Ik: Wat bedoel jij dan met een matras?
    Hij: Awel, zo een stukje waarop de mensen van op een verdiep kunnen buiten komen, met een leuning aan.
    Ik: Ah, een terras?
    Hij: Ja, dat was het woord!
  • Mag ik nog een beetje geschrapte kaas?
  • Hij: Ik wil geen melk
    Ik: Waarom niet?
    Hij: Omdat mijn voeten pijn doen
    Ik: En wat heeft melk drinken met je voeten te maken?
    Hij: Dan loopt de melk recht naar mijn voeten
  • Hij: Toen ik nog niet geboren was, hoe kreeg ik dan eten?
    Ik: Via je navelstreng, daarmee hing je vast aan mij en daardoor ging alles wat je nodig had om te groeien.
    Hij: Toen was ik dus nog arm!
  • Hoe noemt jouw trein, papa?  (zoals Thomas of Gordon bvb)
  • Hoe lang duurt mail checken?
  • Kijk mama, dat dak heeft kei veel zonneplaneten
  • Ik: Aan tafel, we gaan eten!  En het is lekker!
    Hij: En wat eten we nog?
  • Ik: Je mag de planten in de bloempotten niet te veel water geven, hè.
    Hij: Nee, want dan worden ze bomen.
 de zoon, 4 jaar:
  • Ik ben een spierboot (speedboot)
  • Ik heb mij zelf ingeslikt (mij verslikt)
  • Piet Piraat anker (kanker)
  • Zet je de chauffage eens af a.u.b. (op een snikhete zomerdag, uiteraard stond de chauffage al wekenlang af)
  • Ja, ik moet sebiet nog in bad want mijn keel is heel vies.
  • Varkens worden van vlees gemaakt, hè?
  • Ben je nu al terug?  En heeft hij je geopereerd?  (Als ik na een kwartier al terug ben van de kinesist)
  • De Belgische camion speelt in de Belgische ploeg (tijdens het spelen met zijn speelgoed vrachtwagen)
  • Die heeft haar prachtige communie gedaan (haar plechtige communie)
  • Staat daar ook op hoeveel zeep ik in het water heb gedaan?  (als ik aan mijn man de waterfactuur toon en we onze gebruikte waterhoeveelheid bespreken)
  • Nu gaan alle visjes dood en dan kunnen wij die opeten! (terwijl hij een driedubbele portie zeep neemt tijdens het handen wassen) 
  • Moet ik vandaag slapen?
  • Als ik met mijn zus getrouwd ben en de baby is een jongen, mag ik de naam kiezen en dan kies ik voor "protjesgat".
  • Hij: Mag ik a.u.b. een snoepje, mama?  (na het eten)
    Ik: Nee, je hebt niet van de paksoi geproefd.
    Hij: Mag ik een klein stukje paksoi proeven?
    Ik geef hem een stuk, hij eet het op.
    Hij: Mmm, lekker.
    Ik: Wil je nog?
    Hij: Nee, ik wil een snoepje.
  • Ik wil al terug wakker worden, mama (als hij 's avonds in zijn bed niet in slaap geraakt en mij na een kwartier roept)
  • Auto's hebben geluk, die hebben straten.  En treinen hebben ook geluk, die hebben sporen.
  • W. (klasgenootje) zegt dat mijn papa in de wolken is (omdat papa nooit op school komt)
  • Het is wél al 7 uur, de klok van de living gaat veel snellerder dan die van de keuken (om 5u30)
  • Waarom ben ik niet dood?
  • Waarom ben ik geboren?
  • Wanneer ben ik oud?
  • Ik ben nog twee minuten moe.
  • Ikke met zonder groentjes, hè?
  • Ik wil een worstje van smeerpaté (hij krijgt er al eens eentje van hespenworst)
  • Moeten we álles hebben? (in de winkel, toen het wat te lang duurde)
  • Zijn we voorbij die hier liggen dood te zijn geweest? (langs het kerkhof)
  • Hij: Mama, van waar komen al die bekers?
    Ik: Die heb ik gewonnen.  Eentje is van te winnen met fietsen en de andere met lopen.
    Hij: En is er ook eentje bij van te trouwen?
  • Koop jij een kindje of een mens? (tegen een zwangere)
  • In België wonen veel huizen, hè?

3 jaar:
  • Ik: Heb je nu weer in je broek geplast, je bent bijna 4 jaar, dat moet nu toch eens gedaan zijn, hè
    Hij: Nee, ik ben nog een kleine jongen
  • Het is lang zitten op de bus van China naar België, hè?
  • De kalfjes moeten van de uier drinken als een boer er ni is
  • De nieuwe brug is een fantastische reis (thuis, plannend waartoe onze fietstocht naartoe zal gaan)
  • Ik: Doe dat draadje rond je vinger, dat is veel te vast aangespannen, straks valt je vinger eraf.
    Hij: En dan kan je niet meer ademen, hè
  • Cécémelk (samentrekking van chocomelk en cécémel)
  • Hij: Zijn we in België?
    Mie Fantasie: Nee, we zijn in Tienen
  • Niet doen, anders doet het pijn op mijn zijspoor (slaap, dus aan de zijkant van zijn gezicht)
  • Doe je buik eens open (tijdens het doktertje spelen)
  • Ik: Ik vertrek naar de dokter met Mini-me
    Hij: Ik wil ook mee
    Ik: Oei, heb jij ook ergens last van?
    Hij: Ja...
    Ik: Oei, waarvan?
    Hij: Van Mie Fantasie (zijn grote zus)
  • Carbio, ga maar naar huis want het regent (tijdens het spelen met de autootjes)
  • Ik durf niet bang te zijn (met zijn handen op de oren en achter mama gedoken omdat er een trein passeert)
  • Papa: Kom, ik stop u onder het donsdeken
    Hij: Nee, ik wil geen dom deken
  • Kijk, die heeft neushoorntjes (in het zwembad, over een tiener met neusknijpers)
  • Kijk, een meisje met een baard! (wijst naar een man met lang haar en een baard)
  • Daar woont de zee (wijst op de wegenkaart naar de blauwe zee)
  • Vliegende petat!  (over een frietje dat op de grond valt) 
  • De juf: Wie is je beste vriendje? (bedoelt van de klas)
    Hij: Opa!
  • Ik steek mijn tong uit naar de chips. Is ni lekkere chips.
  • Ik: Kom, naar bed.
    Hij: Nee, ik kan mijn ogen nog open houden.
  • Kijk, die auto staat in een gevangenis (wijst naar een garage met i.p.v. een garagepoort een ijzeren hek)
  • Ik ga trouwen met papa
  • Ik ga naar de appelsienenwinkel.
    Ik ga naar de bananenwinkel. (...)  Bananen met zonder schil alstublieft (tegen de denkbeeldige winkelier)
  • Daar woont de school
  • Die is voor de zon (wijst naar de zonnemelk; wijst vervolgens naar de aftersun).  En die is voor aangebrand.
  • Maar mama, ik kan dat nog niet. Ik wil weeral bleiten.
  • Hij: Ik wil een cowboy zijn, mama
    Ik: Kom, geef de cape maar hier, dan doe ik hem vast
    Hij: De broek ook, hè
    Ik: Is het niet veel te warm voor een lange broek?
    Hij: Cowboys hebben een broek, hè mama
  • Hij: Da's voor de beren, hè (en wijst naar een rioolputje)
    Ik: Hè, voor de beren?
    Hij: Ja, da's voor de beren
    Ik: Hoe bedoel je?
    Hij: Da's zo'n oranje camion, die komt dat leegmaken, een berenton heet die
  • Boeven en monsters mogen hier niet binnen.  Mega Mindy wel, hè?
  • Nu is mama er weer (als ik mijn zonnebril afdoe)
  • Ik: Wie heeft je pijntje verzorgd?
    Hij: Een juffrouw zonder kleedje
  • Hij: Jongens hebben alles!  Meisjes hebben niks!
    Ik: Jawel, meisjes hebben borsten en jongens niet.
    Hij: Jawel, ik ook borsten, kijk maar! (en doet zijn t-shirt omhoog om zijn "tepeltjes" te laten zien)
  • Hij: Au, au, au (tijdens het eten)
    Ik: Wat is er?
    Hij: Pijn!
    Ik: Waar heb je pijn?
    Hij: Aan mijn vinger
    Ik: Hè, aan je vinger?  Hoe komt dat?
    Hij: Van te veel bokes te eten
  • Zus: Waarvan krijg je nog pijn aan je vinger?
    Hij: Van bloed!
  • Ik: En, was het een leuke vakantie? (op het einde van de krokusvakantie)
    Hij: Nee
    Ik: Oei, hoe komt het?
    Hij: niet op vakantie geweest
  • Ik: Trek je broek maar op (na toiletbezoek)
    Hij: Dat kan je toch zelf?
  • Dikke thee (decolleté) 
  • Een banaan in de lucht in het donker is een maan
  • Ik: Kijk, het viskraam staat op het plein!
    Hij: Oh, en die is jarig!  (doelend op de blauw-rood-witte-vlaggetjes)

2 jaar:
  • Auto korter maken want hij past niet in de garage 
  • We lezen een boekje over de kleuren:
    Ik: Deze ballon is ...   Hij: Rood
    Ik: Deze erwtjes zijn ...  Hij: Groeuw
    Ik: Deze muis is ...  Hij: Poes
  • Rood! (in de auto, wanneer het rode licht op groen springt)

oudste dochter, 8 jaar:

  • Ik ga later nooit een dampkamp kopen want dan kunnen mijn kinderen niet ruiken wat we eten terwijl ik aan het koken ben.
  • Tegen haar broer: En ik was een kindje en jij moest mij komen kidkappen.
  • Ik: En hoe smaakt het appel-mangosap?
    Zij: Bwa, ik vind appel-kersensap toch lekkerder.  Dit smaakt meer naar euh, eigenlijk naar pipi.
  • Kindin (een vrouwelijk kind, "goed gevonden, hè?" :-))
  • Mag ik een stuk van jouw salvia?  (cervela)
  • Als ik in de douche ga, verslikt mijn oor zich soms
  • Ik wil later als ik groot ben 100.000 kg wegen

7 jaar:
  • Mag ik nu eens alleen in Amsterdam rondlopen?  (terwijl ze de computermuis van papa afneemt, op Google Streetview)
  • Ik wil later Sinterklaas worden.  Allez, Sinter-MieFantasie.  Dan ben ik heilig.  Maar dan moet ik wel eerst dood zijn, om heilig te worden, hè.


6 jaar:
  • Oma: Zeg maar dank u tegen mama en papa voor je nieuwe boekentas, want dat kost veel centjes.
    Zij: Met centjes alleen kom je er niet, hoor, daar heb je euro's voor nodig!
  • Waar krijg je een medaille op je spelt?  (opgespeld, liedje K3)
  • De zee is koest ofwel is ze woest
  • Ik: We moeten zien dat we op tijd thuis zijn voor het donker is want jij hebt geen licht op je fiets, hè.
    Zij: Nee, alleen een velcro (een reflector dus)
  • Zij: Er zijn veel meer jongens lammetjes dan meisjes lammetjes, hè?
    Ik: Hoe kan jij dat zien van zo ver?
    Zij: Wel, er zijn toch veel meer bruine dan witte lammetjes?
  • Mijn voet is kei stijf en er zit bruis op (de beschrijving van een slapende voet?)
5 jaar:
  • Champignonnen die in de zee groeien (oesterzwammen)
  • Zwarte Piet draagt een plofbroek, hè?
  • Als ik mijn eerste communie heb gedaan, krijg ik ook altijd een koekje, hè?  (een hostie dus)
  • Marginetten (marjoretten)
  • Zij: Wanneer gaan we eens ergens frietjes of pannenkoeken eten?
    Ik: Waar bedoel je?
    Zij: In de Pizza Hut
  • Eergisterenweek.  (twee weken geleden)
  • De kat kan knipogen, ze knipoogde naar mij!!!
  • Als ik later mama en juf ben, ga ik veel liever zijn dan jij, hoor.  Als ze dan weent dat ze niet aan tafel wil komen, dan pak ik haar gewoon.
  • We hebben kei lekkere chocobonen aan een boom in onze tuin hangen (hazelnoten)
  • Ik: Zie dat je je tanden niet stuk bijt, die moeten nog heel je leven mee
    Zij: Mee naar waar?
  • Ik volg heilige godsdienst
  • Kijk, een slak zonder schild
  • Wat is het laatste getal?
  • De regen is een bewegend beeld.  De zon wordt nooit nat
  • Flitspalen: klikspanen
  • Jommeke gaat nooit naar toilet, da's niet gezond, hè
  • Mag ik in dit stofje eens knippen?  (en wappert met een uitgeknipt patroondeel dat naast mijn naaimachine klaar ligt om ineen te naaien)
  • Dan moet die met de ambulance mee of moet die naar de hemel (over een dode als we op straat een ongeval met wit laken passeren)
  • Appelgroenzeeblauw
  • Ik griek er niet door (geraakte)
  • Broertje: Hoe lang duurt het eten nog?
    Zij: Nog 1000 km!
  • Ik weet nog niet met wie ik ga trouwen, ofwel met R. ofwel met M. ...  R. is de liefste want M. wil nooit kussen
  • Zij: Waar blijft papa?
    Ik: Papa is nog even naar de kapper.
    Zij: In ons land of in een ander land?
  • We hebben de even grootste kop (tegen haar broer wiens hoofd even groot is)
  • Mama, jij hebt al veel ervatie, . (ervaring)
  • Doe dat gordijntje toe, de mensen kunnen mij wel ZIEN, hè!  (in het pashokje) 
  • Als een dief mij wil meenemen, doe ik alsof ik een etalagepop ben, dan blijf ik stokstijf staan en ziet hij niet dat ik een echt kindje ben en neemt hij mij niet mee. (in de klerenwinkel)
  • Zij: rijden we naar oma?
    Ik: nee, nog een beetje leuker dan naar oma
    Zij: naar de winkel?
  • Ik heb mijn tong uit gestookt (uitgestoken)
  • Zij: de directeur is de baas van onze school.
    Zij: en de koning en de koningin zijn de baas van ons land
    Ik: en wie is de baas hier in ons huis?
    Zij: ikke natuurlijk!
  • Mag ik Pinokkio horen?  (kapitein Winokkio)
  • Een kieke zonder kop hoort ook niet zo goed, hè
  • Valentijd
  • Amai mama, ik zag een moeder met VIER kinderen!  Dat is KEI VEEL! 


4 jaar:
  • Is 'helder' een grote-mensen-woord?
  • Heb jij met rode kool op mijn fluovestje geschreven?  (rode alcoholstift)
  • Ik: Ruim maar een beetje op tegen dat Sinterklaas vannacht komt
    Zij: Goed idee, ga jij dan maar stof afdoen en stofzuigen.
  • Is mijn mond heel sappig?  (vol sap)
  • Mag ik de steen van de mango opkrabbelen? (afknabbelen)
  • Vroeger eten ze met onze handen
  • Muisjes hebben geen oven, hè?
  • Ik heb protjes gelaten!  (zei ze heel luid, in een overvolle winkel)
  • Of anders gaat pop niet mee of anders hadden wij nog geen kindjes (bij het 'vadertje en moedertje' spelen)
  • Mama is in haar blote bh in de badkamer
  • Zij: Dit is de driede
    Juf: Derde
    Zij: Oh ja, dat vergeet ik nu altijd!
  • Zij: Mama, met welk soort naft rijd jij?
    Ik:Met diesel
    Zij: Je moet een keer super benzine nemen, die is heel goed!
  • Ik: Wie is er eerst uit de buik van oma gekomen?
    Zij: Opa!
  • Zijn meloenen heel vitamienig?
  • Is dat de Eiffeltoren, mama? (in de auto, wijzend naar een watertoren)
  • Wij gaan niet dood, hè?
  • Papa, ik zit onder tafel en ben aan uw been aan het amputeren. (ambeteren)
  • Ik ga een mevrouw kopen en daarvoor 2 centen betalen aan God.
  • Ik leg het boek op de grond, dan spring ik erop en dan zit ik midden in het sprookje!
  • Zijn wij lief voor alle mensen van de wereld?
  • Kom, we gaan gokbal spelen.  Een bal met je hand omhoog gooien en met je andere hand opvangen.  We zullen dat gokbal noemen, hè.
  • Radionieuws: Op de luchthaven van Nairobi in Kenia woedt een hevige brand
    Zij: Oh, kunnen wij de rookwolken dan zien?
  • Rust maar een beetje, mama
  • Mijn vlechtjes zijn versleten
  • De lianen over het water zijn ook leuk (euhm, elektriciteitsdraden over de straat)
  • Ik ga het water van de pombak laten weglopen, dan hebben de arme kindjes ook water
  • Een ticketje kopen, is dat een moet-je of een mag-je? (cfr. kleuterklas: de verplichte opdrachten zijn moet-jes en de andere mag-jes)
  • Hier mama, neem een mossel mét saus, daar zit géén zand in (kinderlogica)
  • Biknini
  • Ik: Hier kan je nogal ver zien, hè
    Zij: Ja, tot in Oostenrijk!
  • Gaan we rommelmarktje houden? (als we de speelgoedkast aan het reorganiseren zijn)
  • Ik heb een klein krammetje (schrammetje)
  • De mannetjes die de lichten van de autostrade aandoen, mogen die 's avonds naar huis?
  • Ik: Amai, die kan nogal vlammen (over een passerende auto)
    Zij: Ik zie geen vlammen?
  • Ik: Goh, da's echt schandalig!
    Zij: Ja, echt sandalen!
  • Ik ben roodkapje en ik rijd op mijn paard en jij bent de stiefmoeder van roodkapje maar zou je niet beter de heks zijn?
  • Ik: Wie gaat er mee de brievenbus leegmaken?
    Zij: Ikke!  En broer ook maar kleine zus niet want die heeft nog geen voetjes
  • Ik ga aan iedereen vertellen dat het een geheimpje is
  • Zij: Kijk mama, een vogelstront!
    Ik: Inderdaad
    Zij: Dat is zeker van een ooievaar!
    Ik: waarom van een ooievaar?
    Zij: Ah, 't is een witte, hè
  • Het is carbio-weer! (alsof wij een cabrio hebben!?)
  • Hoe weten de wielen van de auto de weg?
  • We kunnen op buienradar kijken of de grote brandwolk al weg is! (op de terugweg naar huis nadat we 's morgens vanop de E19 de brand in het Veritas-hoofdgebouw hadden gezien)
  • Windwapperen (waaien)
  • Pardon en jammer dat ik niet luider kon! (na het boeren)
  • Mijn liefste zusje, ik wil dat je niet dood gaat en dat je niet wordt doorgespoeld in het toilet (wat een idee!)
  • Verzin jij maar iets (bij het invullen van een vriendenboekje op de vraag wat de leukste herinnering is aan de eigenaar van het boekje)
  • Aan de middenste vinger langs links
  • Ik heb een pijntje en krijg van de snelheidsmachine een lift want de overbuurvrouw is een wolkenkoningin
  • Zij: Wat hebben we allemaal meegekregen van oma?
    Ik: soep, rode kool, plantpetatjes, taart, ...
    Zij: Wat van oma is, moet bij oma blijven!
  • Bloedafdruk
  • Ik heb een idee!  We gaan een wedstrijdje doen wie het lekkerste kan koken en bakken! (heeft nog nooit dergelijk programma gezien op tv)
  • Weet je wat een boef is? (tegen haar kleine broer)  Een dief in het Engels
  • Eiersollen (aerosollen)
  • Oh kijk, die is mooi verkleed!  (heel luid en wijzend naar een gewone dame aan de overkant van de straat)
  • De boot gaat landen
  • In het midden van de ochtend
  • Mama, mag ik eens proeven van het stoofvleessaus op jouw frietjes?  ...  Mama, maakt stoofvleessaus harde vlekken in de kleren?
  • Die wandelen te voet
  • Kijk eens hoe slecht ik al kan kijken (ogen toeknijpend)
  • Nee, niet doen, dan gaat het smelten! (roepend tegen Jeroen Meus op tv)
  • Een stad is een grote kerk met veel huizen rond
  • Ju, ju, paardje, we rijden naar de schat
  • Zij: Mama, uit wie ben jij geboren?
    Ik: Uit oma
    Zij: En uit wie is oma geboren?
    Ik: Uit moemoe
    De volgende dag: Toen ik nog in jouw buik zat en jij nog in oma haar buik zat, hing ik dan aan jou of aan oma vast? 

3 jaar:  
  • Als ik 10 jaar ben, dan kan ik lezen, schrijven en doe ik de kindjes niet meer pijn
  • Jij bent maar een speelgoedvliegtuig, je hebt niet eens een dak (tegen het vliegtuig van fisher price) 
  • Hoe heet het baby'tje nu weer?
  • Ik: Hier is wat water, voor als je croque-monsieur te warm is
    Zij: Ja, dan kan ik het water erover gieten
  • Als ik op school ben, zie ik jou toch ook nog graag, hoor mama. (*smelt*)
  • Ik: Amai, dat heb jij goed gedaan, flink meisje!
    Zij, glunderend, met een klein stemmetje: Zeg het nog eens :-)
  • Ja, ik kon niet oppakken want mama was mijn t-shirt aan het aandoen (door haar speelgoed-gsm)
  • appeltheek (apotheek)
  • Ik heb buikpijn aan mijn snavel. (navel)
  • Zal ik de bijbel van Mickey Mousse eens pakken?  (haar atlas van Mickey Mousse dus)
  • Amai, zoveel kindjes in de speeltuin; nu kunnen ze nogal ruzie maken, hè!
  • Al een geluk dat de doden in een kist liggen, anders moesten ze met hun armen het zand uit hun ogen doen
  • Op mijn blote kousen (mét kousen maar zonder schoenen)
  • Dat was morgen de dokter!  (als we toevallig onze huisdokter tegenkomen waarbij we eergisteren op consultatie geweest waren)
  • We hadden vandaag brandweeroefening maar het was maar een foppertje. 
  • Wat schrijf ik nu?  (schrijft LOEN) 
    En nu?  (voegt er een H aan toe)
  • Zij: AAAAAAH !!!!!
    Ik: Krijs niet zo aan tafel.
    Zij: Dat ben ik niet, dat is de beschuit die ik in stukken breek.
  • En ze smulden heerlijk van het lekkere brood dat mevrouw Praline in haar winkel gebakken had (spelend met het duplo-huis, naar analogie met Samson)
  • Kijk, die meneer heeft zijn gezicht rood geverfd!  (over de voorganger van het Luxemburgs prinsenhuwelijk die rood zag van nervositeit)
  • Ik las het boek voor "het circus in de stad". Op elke pagina werd er een ander deel van de circusvoorstelling getoond.  Op het einde vroeg ik aan de dochter: En wat vond je het mooiste? Haar antwoord: de stad!
  • Kijk mama, de helft van de maan is weggevlogen!
  • De batterijen zijn plat, we moeten ze terug opblazen.
  • Nu mag ik terug rommel maken (als we het bezoek net hebben uitgewuifd)
  • Dat meisje heet Hanna zonder H (over een playmobil-kindje)
  • ik: Trek niet zo aan mijn rok, sebiet is hij helemaal uitgerokken (ons dialect voor 'uitgerekt').
    zij: Haha, een rok uitgeROKken. (kritisch tot en met, ik had het zelf niet eens door)
  • Ik heb hagels zien vallen (hagelstenen)
  • Je moet heel pasoppen (oppassen)
  • zij: Mama, wat zijn die borden?
    ik: Voor de verkiezingen
    zij: Wat zijn verkiezingen?
    ik: Wel, wij wonen in Duffel en de baas van Duffel is de burgemeester.  Alle mensen van Duffel die ouder zijn dan 18 mogen kiezen wie er burgemeester wordt.  Die de meeste stemmen heeft, die wint en die mag 6 jaar lang burgemeester zijn.  Begrijp je het?
    zij: Ja...  Maar ik wil niet winnen
  • zij: Er zit iemand in onze klas die een andere taal spreekt!
    ik: Ja?  Wie?
    zij: Distar (Pistache).  En hij zegt altijd kom broer (bonjour)
  • Oh, ik wou naar oma Hei bellen (ontgoocheld toen oma Rollegem "hallo" zei aan de andere kant van de lijn)
  • Ja, het was heel vettig (op de vraag van oma Rollegem of het lekker was)
  • Ik ga eens in de wereld kijken (bladerend in de atlas).  Oh, te ver.
  • Heb je je bult niet verschoten?
  • Maar zelfs mijn oor vindt het leuk (wanneer ik haar berisp om stout gedrag) 
  • Ik ben een ander meisje en ik woon in een andere straat. Ik ben een Chinees meisje en ik woon in Chineestaal. Als ik 10 jaar ben, ga ik terug naar Chineestaal
  • Ik heb het in 2 gestukt
  • beleefdheid aanleren:

    zij: Je moet mijn vork oprapen
    papa: Hoe vragen we dat?
    zij: Alsjeblieft?
    ik: Wil je ...
    zij: Wil je ...
    ik: alsjeblief ...
    zij: alsjeblief ...
    ik: mijn vork oprapen
    zij: mijn vork oprapen
    ik: oké, goed, nu heel de zin
    zij: heel de zin

    even later:
    zij: Je moet mijn bavet uitdoen!
    papa: Hoe vragen we dat?
    zij: alsjeblief mama, hoe moet het nu weer?
  • Wacht, mama is nog aan het verdienen (omdat papa de winkel al uit liep terwijl mama nog stond te "betalen" aan de kassa. Ook de winkeljuf moest lachen)
  • Alle jongens zijn Bob de Bouwer en alle meisjes zijn Wendy.
    Poes is een jongen.
    Bob is een poes
  • Kom, ik ga het verknoeien
  • Dan wil ik niet meer met jou spelen!  (tegen papa)
  • zij: Ik ga in de plassen stampen!  (met haar prinsessenkleed aan)
    ik: Maar prinsesjes stampen niet in de plassen. Prinsesjes moeten altijd mooi en braaf zijn
    zij: Dan ga ik mooi in de plas stappen
  • Ik ben pas getrouwd, met een nieuwe want mijn oude was versleten
  • Ik wil het sap van de worstjes (dat van fruit uit blik krijgt ze en van worstjes niet?) 
  • Het is hele dure kaka, hoor mama, ga nog maar efkes zitten. (dat het nog lang gaat duren)
  • Kijk, daar is wijs!  (en ze wijst; haar eerste grapje)
  • Kan je mij nu zien?  (met haar handen voor haar ogen)
  • Ik ben de baas!
  • Het is de pasgeboren Jezus en ze wordt een ballerina (spelend met de pop)
  • vermengelen (mengen)
  • Ik wil u niet meer horen, hè?  (terwijl we haar in bed steken; dat zeg ik dan altijd omdat ze vaak nog een paar keer roept met 't één of 't ander excuus als ze al in bed ligt)
  • zij: Zie je die mooie vlinder?
    papa: Oooh, zo'n mooie
    zij: Ik had het wel niet tegen u hè, papa, ik had het tegen mama
  • zij: Mama, je hebt een mooie neus!
    ik: dank u
    papa: En heb ik ook een mooie neus?
    zij: Euhm, je hebt mooie ogen  (heel strategisch ;-))
  • Kan je mij nu horen?  (met haar handen op haar oren)
  • zij: Mama, wil jij met me trouwen?
    ik: Nee, dat gaat niet; ik ben al met papa getrouwd.  Misschien wil pop wel met je trouwen.
    zij: Nee, pop heeft veel te korte beentjes en ze komt nog niet eens aan mijn schouders
  • Nu ben ik zo oud als opa (en ze laat haar verrimpelde handen zien na een uurtje in bad spelen)
  • Wij zijn piraten van de zee en al wie zeep heeft, vaart maar mee.
  • Ze komt binnen, uit de tuin.
    ik: Wat is er ontploft onder papa zijn grasmachien?
    zij: Ik weet het niet
    ik: Je hoorde toch een knal, van wat was dat?
    zij: Ik weet het niet
    ik: Vraag het maar eens aan papa
    Zij loopt terug naar buiten en roept: "Papa, mama wil de kapotte bal zien!"
  • Bestaan de Tweenies echt?
  • Waar wonen wij? (met de wereldbol in haar handen)
    Waar woont Mega Mindy?
    En waar is Nooit-gedacht-land?
  • Tandenkonijnen (konijnentanden)
  • Mama, ik ben verloofd op u.  Maar dat kan eigenlijk niet, hè, want jij bent al verjaard.
  • Ik ga heel de wereld bedekken. Dit heb ik al gedaan, nu de rest van de wereld nog (in de zandbak, druk bezig met de schop)
  • Glitterballen (bitterballen)
  • Dit is Noach en dit is zijn vrouw Meis-in.  Op een dag waren ze weg.  (...)  Ze vaarden verder en de boot wiebelde en wiebelde, opzij, naar links, opzij, naar links.  En de dieren in de kooien waaiden en waaiden. "Alle dieren opstaan!" en dan waren de dieren niet meer moe en werden ze bevrijd door de eend.  (spelend met haar Noach-ark)
  • Wij wonen in een warm land, hè mama?
  • zij: mama, mag ik iets uit de snoepdoos?
    ik: als je je boterham opeet
    zij: maar mijn buikje zit helemaal vol
    ik: dan is er ook geen plaats meer voor snoep
    zij: jawel, voor een heel klein snoepje, dan doe ik het papiertje eraf en dan plakt het aan mijn tanden!  (enthousiast)
  • (met een handdoek op haar hoofd) Ik ben moeder Maria.  Jozef, laat mij gerust!
  • Mama, als we papa en broer nu thuis laten, wat denk je daarvan?  Alleen met de meisjes naar de winkel?
  • ik: Papa verjaart bijna.  Wat zouden we kunnen kopen?
    zij: Speelgoed ...  van Playmobil
  • Hoe kunnen we de centjes terug afpakken die kapitein Haak van ons heeft afgepakt?  (euh, aan het spelen, zeker?)
  • Genageltjes (garnaaltjes)
  • Ik wil 100 gram water in mijn beker
  • Er is een nis op zolder (vernis)
  • Leg me nu maar in mijn bed want ik heb lang genoeg moeten wachten (om 19u30, na het thuiskomen van een communiefeest)
  • Hier, die zult ge wel nodig hebben precies!  (ze geeft me een nieuw pak wc-papier aan terwijl ik op toilet zit met diarree)
  • Oma donna hedde faum, ilja ilja ow (old mc donald had a farm)
  • Voorlezen, komaan, niet bang zijn!  (tegen papa die naast haar in de zetel zit met het sprookjesboek op zijn schoot nadat hij net al 1 sprookje heeft uitgelezen)
  • zij: Welk vleesje is het?
    ik: vegetarisch
    zij: dromedaris?
  • De kinderen lachen met mij als ik in de klas puzzel (een echte boeken-zin)
  • Vissen worden groter en groter (handen gaan verder uit elkaar) tot de vissen een haai zijn (handen heel ver uit elkaar) en dan: HAM!  Dan eet de haai u op! (klapt tegelijkertijd plots de handen in elkaar)
  • Ik mag niet achter de auto gaan staan, hè mama, want dan kan je mij niet zien en rij je over mij en dan ben ik zo plat als een pannenkoek.  (dat eerste zeg ik vaak tegen haar als ze haar weer maar eens achter de auto verstopt.  Dat van die pannenkoek heeft ze er zelf bij verzonnen maar ze snapt het precies dan toch wel)
  • rouwvinger (trouwring)
  • Ik ben een zotte poppemie, hè?
  • Gisteren is nu, hè?
  • Zit daar nog een baby'tje in? (terwijl ze naar mijn borsten wijst)
  • Ik ga naar Amerika met mijn sandalen aan om daar te gaan sporten (in haar pyjama op haar blote voetjes in de keuken)
  • Hekske mini (Heksje Mimi, personage van Kathleen Amant)
  • Ik heb dat gekregen voor mijn derde communie (tijdens het spelen)
  • Kijk!  Grote barbiepoppen!  (wijzend naar paspoppen in de etalage; ons meisje komt niet vaak in de winkelstraat, valt het op? ;-))
  • Het is gezet.  (aan de telefoon, na een halve minuut wachten tot oma opneemt)
  • De trein zijn aubergine is op!  (benzine dus, die duplo-trein wordt wel erg vaak bijgetankt)
  • Die is daar nog te groot voor (over kleine broer die nog geen snoep mag eten)
  • Kom, vlug, we moeten nog naar de tweedehandsbeurs!  (roepend aan de schoolpoort zodat alle wachtende mama's het goed konden horen; we zijn zondag inderdaad naar een tweedehandsbeurs van de gezinsbond geweest)
  • Papa, we eten roze vinken!
  • Niet te doen, joh (hmm, van wie zou ze dat toch hebben ;-))
  • Ik heb te warm, ik wil zonnemelk (terwijl ze in de auto stapt)
  • Ik heb de boer (ik heb de hik)
  • Opa is mijn beste vriendinnetje!
  • Het valt wel mee (op de schommel in de speeltuin, op mijn vraag of het plezant is)
  • De spiegel is verrimpeld (bedompt, na het in bad gaan)
  • zij: Mama, ik ga je doodschieten, dan kan je geen was meer ophangen
    ik: Maar dan kan ik ook geen eten meer maken
    zij: Maar dat kan papa wel
  • (in 2 stemmetjes, al spelend tegen zichzelf):
    • Waar woon jij?
    • In Noorderland, dat is heel ver, dat is als hier ik verjaar en Tiny dan verjaart, nog verder!  (zowel in tijd en ruimte heel ver dus ;-))
  • zij: Mama, jij bent verliefd
    ik: Ja, op papa
    zij: Nee, op mij
    ik: Ook op jou en ook op je broertje
    zij: Ja, wij zijn beste vriendinnetjes, hè mama
  • Asjaas (al chance)
  • Notto (onderwijzend tegen haar broertje, terwijl ze wijst naar een plaatje van een auto...)
  • Als je mijn neusje spoelt, loopt dat toch allemaal in mijn mond dus je kan dat beter direct in mijn mondje kappen.
  • Dat gingen we niet meer doen, hè maat!  (tegen papa, zoals de meester in de klas het ook zegt)
2 jaar:
  • Ik word later meester of juffrouw.
  • Snottepietjesdief  (een zakdoek)
  • zij: Brecht is de grootste van onze klas. 
    ik: En is Kaat de kleinste? 
    zij: Nee, dat is Jules!  (de klaspop)
  • Kijk, sopmollen! (molshopen)
  • zij: Ik denk dat onze kleine broer verliefd is op jou
    ik: Verliefd?  wat is dat?
    zij: Dat je eerst beneden bent en blijft staan en zo naar boven gaat en terug naar beneden (een lift dus)
  • Dan kan ik papa veel spuitjes geven!  (wanneer ze hoort dat hij net geopereerd is)
  • Nagelstrontjes (hagelslag/muizenstrontjes)
  • Kerstkabouter (kerstman)
  • Vind je ons huis niet meer, mama? (op de - voor haar vreemde - terugweg van het station naar huis, in het donker) 
  • Speculaas om in de koffie te stoffen
  • I love it!  (toen ik haar een nieuw vestje aandeed)
  • Dag sinterklaasje, daa-aag, daa-aag, afscheid niet
  • Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan.  Hij brengt ons niks oculaas, ik zie hem al staan
  • Da's om te dansen (wijzend naar een luifel op het kerkhof waaronder de laatste groet wordt gebracht)
  • Ik ga later met je trouwen, mama
  • zij: Mama, wat ben je aan 't doen? 
    ik: Aan 't poetsen
    zij: Nee, mama, aan 't kuisen
  • Vieze kindjes moeten in de vuilkar!
  • Mama gaat de spirelli afschieten in de pombak
  • Iedereen heeft een hoofd maar bomen hebben geen hoofd
  • Angelina Brangelina (i.p.v. Ballerina) 
  • Ik meet hoe de tafel breed is
  • zij: mama, ik ben K3
    ik: K3, van waar ken je die?
    zij: oma tv
    ik: en wat doet K3?
    zij: dansen
    ik: en wat nog? (doelend op 'zingen')
    zij: kleren passen
  • Fonteinenpark (containerpark)
  • Mag ik een schroevendraaier?  (tijdens het tekenen, ze bedoelde een slijper)
  • Tandjes aan 't krijgen (op mijn vraag wat kleine broer aan 't doen is in zijn park omdat hij zoveel lawaai maakt)
  • Er zit een haar tussen mijn oren
  • Loopt het zwembadje dan niet over?  (bij het telkens opnieuw vullen en leeggieten van haar gietertje met zwembadwater terwijl ze in het zwembadje zit)
  • Er komt water uit het pie*eltje!  (kleine broer gaat voor het eerst mee in bad en lost wat ;-))
  • Cadeautje voor jou!  (papa 1 week voor zijn verjaardag meetronend naar de verstopplaats van zijn cadeautje, nadat we het samen hadden ingepakt toen hij op zijn werk was)
  • zij: mama, ik heb pijn aan de zoon
    ik: wáár heb je pijn?
    zij: aan de zoon
    ik: toon eens
    zij (maakt een kruisteken): vader, zoon, hier, hè mama!
  • Paaskonijn
  • Hebt ge 't verstaan?  Of anders zet ik u in den hoek als ge niet luistert!  (tegen haar pop)
1 jaar:
  • Typisch (nadat ik gezegd had: "oh, dat ben ik vergeten!")
  • Oh nee!  (luid roepend in de colruyt tegen iedereen die iets uit het rek wou nemen)
  • Alles kuisen, Kerstmis komt (met een doekje kuisend, op 16 december)
  • Naam vader, zomer, heile geest, avond 
  • Chocoladesoep (op mijn vraag wat ze aan 't maken is, roerend in een kookpot op haar speelkeukentje)
  • Smakelijk eendje (i.p.v. smakelijk eten)
  • Melk!  (op mijn vraag wat ik straks zou kunnen klaarmaken om te eten) 
  • Amauw!  (samentrekking van amai en wauw)

3 opmerkingen:

  1. Wat moest ik lachen met die dromedaris.
    En 'snottepietjesdief' is zo lief!

    http://wiebelwoorden.blogspot.com

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik heb nog nooit in m'n leven zo met een blog moeten lachen :D. Tranen met tuiten gewoon. Wat is een zalig kindje is dat!
    Groetjes! Marie (collega Dimitri)

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Hilarisch en zóóó herkenbaar!!!

    Groetjes,
    Christine

    BeantwoordenVerwijderen